Begeleiding

Training en begeleiding rondom wedstrijden


Begeleiding rond en tijdens de wedstrijd

Omdat er geen onder de 6 en 7 competiite wordt aangeboden door de KNVB organiseert de ZWH commissie in onze regio wedstrijden tegen naburige clubs. Voor de kabouters is dit slechts enkele malen per seizoen, in de herfst en lente, voor de JO-07 is dit bijna elk weekend. Bij de kabouters wordt afhankelijk van hoeveel trainingen er zijn geweest en of de kinderen hier ook echt klaar voor zijn besloten om al dan niet deel te nemen. 

 

Tijdens deze wedstrijdjes is begeleiding erg belangrijk. We zijn verplicht om de onervaren spelers van begin tot einde met een goed gevoel het voetbal te laten ervaren. Dit is lastig. Soms lastiger dan een training. Wedstrijden kun je niet zomaar stilleggen, omzetten en makkelijker maken voor spelers. De kunst is spelers ondanks tegenslag te blijven uitdagen om de bal zo goed mogelijk aan te nemen, te dribbelen en te schieten. Hoe doe je dat? Zonder te roepen? Zonder opstellingen, besprekingen en instructies?

 

 

Niet doen!

Wel doen!

Voor de wedstrijd

Wedstrijdbespreking, opstelling en posities;

Enthousiasmeren, stimuleren, individuele aandacht voor elke speler;

Tijdens de wedstrijd

Roepen, coachen, instructies geven;

Zwijgen en genieten, toezien op gelijke speeltijd voor iedereen, bewaken van het plezier, de sfeer en veiligheid;

In de rust

Peptalk, wijzen op fouten of verbeterpunten;

Limonade drinken en veters strikken, zo nodig individuele aandacht voor elke speler;

Na de wedstrijd

Wedstrijdbespreking, wijzen op fouten.

Een compliment voor iedereen, met een goed gevoel naar huis.



Wedstrijdjes en partij vorm

 

De 3 principes van leuke wedstrijdjes voor mini-pupillen:

  1. Speel altijd 4 tegen 4;
  2. Maak indien mogelijk aparte groepen van 4- en 5- (of 6-) jarigen;
  3. Geen uitslagen en standen bijhouden. Het belangrijkste is het plezier en ervaren van deze wedstrijdjes.

 

Wedstrijdjes: Bal uit? Indribbelen!

  1. Uitbal? Indribbelen;
  2. Hoekschop? Indribbelen of intrappen;
  3. Achterbal? Indribbelen;
  4. Doelpunt? Indribbelen (vanaf het doel waar is gescoord). Tegenstander wijkt terug op eigen helft, zodat het spel op gang kan komen;
  5. Overtreding? Handje geven, tranen drogen. Het slachtoffer mag lekker verder dribbelen.

 

Voetbal niet mee

Het is verleidelijk om mee te doen aan een partijtje. Tussen de spelers in fluister je hun makkelijk tips in. Tevens hef je er vrij pijnloos een ongelijke strijd tussen de partijen mee op, omdat je zo niet openlijk een goede voor een minder goede speler van partij hoeft te laten wisselen. Nadeel is echter dat je de ‘angel’ uit het partijtje haalt. Tegenspelers lopen met een boog om je heen, medespelers rekenen erop dat jij achterin alles tegenhoudt. Per saldo ervaren ze het voetbal minder goed. Bovendien verlies jij het overzicht. Zijn de krachtsverschillen te groot, maak dan andere teams en start bij 0-0.

 

Trainingen

 

Drie voetbalhandelingen

Laat mini-pupillen ervaren hoe zij kunnen dribbelen, mikken en schieten. Door veel herhalingen en beurten op de training voeren ze deze handelingen steeds beter uit en krijgen ze besef van richting en de spelregels van voetbal. 

Centraal staan drie handelingen:

  1. Dribbelen. Of: ‘Met de bal naar het doel van de tegenstander’
  2. Passen/mikken. ‘Probeer de bal in het doel(vlak) of bij een medespeler te krijgen’.
  3. Schieten. ‘Schiet de bal in het doel’.

 

Hoe bereid ik een trainingsperiode voor mini-pupillen voor?

  1. Denk: kinderen. Vergeet het grote-mensen voetbal, vergeet teamfuncties als aanvallen en verdedigen.
  2. Voetbalhandelingen. Concentreer je met mini-pupillen op handelingen met de bal: aannemen, dribbelen, mikken en schieten.
  3. Spelvormen. Laat je op rinus.knvb.nl inspireren door spelvormen die deze handelingen centraal stellen;
  4. Circuit. Laat het aannemen, dribbelen, mikken en schieten elke week in drie spelvormen aan de orde komen. Elke week komt er een nieuwe vorm bij. De vormen worden afgesloten met een 4 tegen 4 partijvorm of kleiner (3 tegen 3, 2 tegen 2). Hierin doen de spelers ervaring op met de handelingen uit de spelvormen.
  5. Avontuur. Bedenk hoe je de vormen aantrekkelijk kunt aankleden. Maak er een avontuur van met sprookjesfiguren, tv-helden en elke week het wereldrecord ‘opruimen’.

 

Stel de volgende 3 vragen bij elke spelvorm en partijvorm:

  1. Wordt het spel door gespeeld? Krijgt elke speler genoeg prikkels? Is er geen onnodig oponthoud? Is de wachtrij niet te lang? Kan de vorm twee keer worden uitgezet? Kunnen alle kinderen scoren? Komt ieder kind aan de bal? 
  2. Wordt het spel geleerd? Lukt de oefening ongeveer even vaak als dat het mislukt? Is het niet te moeilijk, maar ook niet te makkelijk? Is er voor ieder kind een uitdaging in de wedstrijd? Kunnen er voor ieder kind handelingen met de bal lukken en mislukken?
  3. Wordt er plezier aan beleefd? Beleeft iedere speler plezier aan de vorm? Zijn ze enthousiast en betrokken? Vinden ze het leuk om deze vorm uit te voeren? 

 

Spelplezier en afspraken

 

Hoe laat ik mini-pupillen meer plezier aan het spel beleven?

  1. Zorg voor avontuur. Bedenk steeds dat ze zijn gekomen om in een veilige omgeving avonturen te beleven, niet om te leren voetballen. Ze willen scoren en succes hebben.
  2. Afspraken. Voorkom dat je de hele tijd moet optreden en waarschuwen. Zorg dat je al eerder goede afspraken hebt gemaakt voor een vlotte gang van zaken.
  3. Hou geen preek. Zorg liever voor een goede sfeer, vertel kort over de training en start snel met een speelse warming-up en eerste spelvorm.
  4. Plaatje, (kort) praatje, daadje. Sta niet lang stil bij bedoeling en spelregels, al die tijd doen spelers niets en bij de eerste uitvoering blijkt dat ze al je woorden toch niet vertalen naar daden;
  5. Drie toetsvragen. Wordt het spel gespeeld? Wordt het spel geleerd? Wordt er plezier aan beleefd? Drie keer ja? Dan creëer je een dwingende organisatie en ervaren ze de voetbalhandelingen automatisch. Zo niet, maak eventueel de afstand groter of kleiner.

 

7 simpele afspraken met mini-pupillen:

  1. Luisteren (1). Als de spelleider praat, zijn de kinderen stil;
  2. Luisteren (2). Als een speler praat, zijn de andere spelers (en de spelleiders) stil;
  3. Vragen. Als je iets wilt zeggen, steek je je hand op;
  4. Naar het veld. We verzamelen op een vast punt en gaan altijd samen weer terug;
  5. Elkaar helpen. Voetballen doen we samen. We schelden niet op elkaar, we schoppen elkaars ballen niet weg, we duwen niet, we helpen elkaar.
  6. Voornaam. We noemen elkaar bij de voornaam. Geen gekke bijnamen.
  7. Fairplay. We houden ons aan de spelregels. Als een speler vloekt op een opzettelijke overtreding maakt, haal je hem naar de kant, ongeacht of de spelleider de overtreding zag.

 

De 6 geboden voor plezier bij de mini-pupillen

  1. De bal. Alles draait om de bal. Mini-pupillen ervaren wat de bal doet en wat je de bal kunt laten doen. Leren de 7 tot 9 jarige pupillen doelgericht te handelen en samen te spelen - de mini-pupil is daaraan nog niet toe. Hij werpt zich eerst op handelingen met de bal zelf;
  2. Zelf. In voetbalspelletjes die maar voor één uitleg vatbaar zijn, maakt de mini-pupil kennis met de weerspannigheid van de bal. Hij wordt steeds verleid de bal aan te nemen, te dribbelen en te mikken. Gaandeweg ontdekt hij hoe hij het zijn wil kan opleggen. De spelleider stimuleert en geeft alleen een aanwijzing als de mini-pupil daarvoor openstaat. Ook bij het handhaven van regels en het opruimen van materiaal kan hij veel zelf;
  3. Avontuur. De mini-pupil leert niet bewust, maar ervaart onbewust. Hij probeert de bal bewust tegen de gekke konijnen (die in de hoeken van het doel bungelen) te schieten en leert zo onbewust de bal stil te leggen en goed te mikken. Trainen is geen trainen; verpak het als een avontuur - een wereld waarin ze voetbalstof niet als voetbalstof ervaren, maar als een spannende belevenis;
  4. Kleine aantallen. De mini-pupil speelt partijvormen van maximaal 4 tegen 4. Zo komen veel spelers vaak aan de bal. 3 tegen 3, 2 tegen 2 of 1 tegen 1 is soms nog beter. Heb je tien spelers in een team, kun je dit oplossen door het geheel op te splitsen in twee wedstrijdjes: een van 2 tegen 2 en een van 3 tegen 3?
  5. Gezamenlijk. De mini-pupil kent geen trainer of coach, maar een spelleider. Die stelt zich begeleidend op. Hij instrueert niet, hij enthousiasmeert kinderen en een brede groep betrokkenen. Hij motiveert alles vanuit het motto: voetballen is een feest! Ook jongens en meisjes spelen met elkaar en beide worden in alle facetten van het spel uitgedaagd;
  6. Structuur. Activiteiten voor mini-pupillen bied je volgens een duidelijke structuur aan. Het circuit met (vaak terugkerende) spelvormen staat altijd uitgezet op hetzelfde veld; spelers kleden zich om in een vaste kleedkamer. Maak bij elke vorm gebruik van een vaste kleur pylonen of hoedjes; kinderen herkennen de vorm dan sneller.






Delen

voeg je eigen gadgets toe aan deze pagina!